Ondanks de Angst

October 1, 2017 Ps. Michael Tan Rotterdam


NEHEMIA SERIES - DEEL 4

In de maand Nisan, toen Artasasta 20 jaar koning was, schonk ik zoals gewoonlijk de wijn in voor de koning. Ik gaf hem de beker aan. Nu had de koning mij nog nooit eerder bedroefd gezien. 2 Daarom zei de koning tegen mij: "Wat kijk je somber. Wat is er? Je bent niet ziek, dus ben je zeker bedroefd." 3 Ik schrok erg en zei tegen de koning: "Mijn heer de koning, leef in eeuwigheid! Ik kan niet anders! Want de stad waar mijn voorvaders begraven liggen, ligt in puin en de stadspoorten zijn verbrand!" 4 De koning vroeg: "Kan ik iets voor je doen?" Ik bad tot de God van de hemel en zei toen tegen de koning: 5 "Zou u mij alstublieft naar Juda willen laten gaan, naar de stad waar mijn voorvaders begraven liggen? Ik zou die stad graag willen herbouwen!"
6 De koning zei tegen mij, terwijl zijn vrouw naast hem zat: "Hoelang zal de reis duren? Wanneer denk je terug te komen?" Ik zei hem hoelang ik wilde wegblijven. (Nehemia bleef twaalf jaar weg. Lees Nehemia 5:14) Toen gaf hij mij toestemming om naar Juda te gaan. 7 En ik vroeg de koning: "Wilt u mij alstublieft brieven meegeven voor de bestuurders van de provincie ten zuiden van de Rivier, (dat is de rivier de Eufraat) dat ze me toestemming geven om door hun gebied te trekken totdat ik in Juda kom. 8 En wilt u mij ook een brief geven voor Asaf, de opzichter van het bos van de koning, dat hij mij hout geeft voor de poortdeuren van de tempel, voor het dak, voor de muur van de stad en voor het huis waar ik zolang zal wonen." En de koning gaf mij deze brieven, omdat mijn God met mij was.
9 Ik kwam bij de bestuurders van het gebied ten zuiden van de Rivier. Ik gaf hun de brieven van de koning. De koning had mij ook soldaten en ruiters meegegeven. 10 Toen Sanballat uit Bet-Horon en zijn Ammonitische ambtenaar Tobia (Waarschijnlijk waren Sanballat en Tobia bestuurders in het gebied van Jeruzalem. Misschien waren ze tegen de herbouw van Jeruzalem omdat ze bang waren hun macht te verliezen) dat hoorden, waren zij er woedend over dat er iemand was gekomen om iets goeds te doen voor de Israëlieten.

Nehemia 2:1-10 (BB)

Ik schrok erg en zei tegen de koning: "Mijn heer de koning, leef in eeuwigheid!
Nehemia 2:3a (BB)

De koning vroeg: "Kan ik iets voor je doen?" Ik bad tot de God van de hemel
Nehemia 2:4a (BB)

God is in staat om eindeloos veel meer te doen dan wij kunnen bidden of bedenken. Dat doet Hij door de kracht die in ons werkt. Daarom is alle eer voor Hem in de gemeente, dankzij Jezus Christus, voor altijd en eeuwig! Amen! Zo is het!
Efeze 3:20-21 (BB)